De site op byethost blijft passief online en zal, op het ogenblik dat iedereen zijn weg gevonden heeft, verdwijnen.
Uw accounts zijn naar de nieuwe host gemigreerd. Indien U toch problemen zou vaststellen kan U dat altijd melden. Om dubbel gebruik te vermijden worden Uw accounts op byethost gedeactiveerd!
Syrah versus Shiraz, Calicab versus Pauillac, Cahors versus Argentijnse Malbec, ... het zijn de typische paartjes die altijd als een optelsommetje afgerammeld worden wanneer er gevraagd wordt de zo gigantische verschillen tussen Nieuwe en Oude Wereld aan te halen. Steeds als antagonismen opgevoerd - de één als vorbeeld zus, de ander als voorbeeld zo - zijn het zo vaak tegengestelden met tussen hen in het grijsgedraaide, uitvlakkend praatje à la "wij doen het anders, maar toch hetzelfde" of netjes andersom: "wij doen hetzelfde, maar toch anders". Natuurlijk, we zijn maar mensen en houden ervan alles mooi in een nauw omlijnd, herkenbaar hokje te doen passen. Handig, comfortabel en vooral geruststellend is dat. Ieder het zijn, maar de één toch wat meer dan de andere, want tegengestelden zijn er nooit zonder een al te manicheïstisch, verholen waardeoordeel ... . Daar houden wij - de angry young tasters van de Orbis - niet van, dus laten we de clichés ditmaal maar voor wat ze zijn.
1. Cabernet Sauvignon!? Wat is dat? Hoe gaat dat wanneer je wijn leert drinken? Eerst drink je graag witte en liefst nog die fruitige witte. Niet die zoete hoor, maar toch die fruitige (die eigenlijk wel wat restzoet heeft, maar dat hoor je niemand zeggen). Die gaat lekker binnen op café en het staat nog sjiek ook. Wat later komen er flessen witte wijn in huis ... . Tof, in de lente 's avonds in de zetel voor de tv met een glaasje wijn. Lekker relaxen ... . Het wordt zomer, je probeert eens een roseetje. Ook niet slecht, dat kan al bij de barbecue zo hier en daar. Plezant! Al wit en rosé in huis. Tja, en dan staat daar ineens de winter voor de deur. In witte wijn heb je zo geen zin meer. Bij al die stevige, hartige vleesgerechten past dat eigenlijk ook niet. Je hebt het geprobeerd, maar ineens gaat die witte wijn die je nog zo goed kent toch echt wel anders smaken. Net als toen met die vinaigrette op het tuinfeestje in juni. Dat leek ook op niks. Ze zeggen dat er eigenlijk róde wijn bij vlees hoort. Maar, pfffffff, dat is zo wrang, niet je ding. Allez, je brengt toch eens een flesje van die Casillero del Diablo of zoiets mee van de Delhaize. Man, man, lekker! Nooit geweten dat rode wijn zo lekker kan zijn. "Koop daar nog maar wat flessen van als je de volgende keer boodschappen doet!" Een weekje later gaat er één van de nieuwe aanwinsten open. Tiens, ook een Casillero, maar die smaakt toch wat anders. Is dat nu wel dezelfde? "Je hebt de verkeerde flessen meegepakt!" Gehaast. Altijd hetzelfde. "En ik dacht nochthans dat het dezelfde fles was." "Mmm, 't is anders wel niet slecht dat hier." "Hé, die fles van vorige week staat hier nog in de glasbak." Eens vergelijken. Knal hetzelfde etiket! "De oplichters ... ." Hé, maar wacht eens, hier staat 'merlot' op en op die andere 'cabernet sauvignon'. Wat is dat? Even googelen ... . Tja, en zo ontdek je dat wijn wel eens van verschillende druivenrassen (NIET soorten - leg ik later wel eens uit) gemaakt wordt. Beetje beschamend als je er nu aan terugdenkt. Maar eigenlijk is dat helemaal niet zo. Bij zo ontzettend veel wijndrinkers gaat het op die manier. En, wat meer is, jij bent tenminste geen 'rode Chardonnay' gaan vragen in de wijnwinkel om de hoek, want dat gebeurt ook wel eens ... . Je kent ze wel ondertussen: Cabernet Sauvignon, Merlot, Carmenère, Shiraz, Malbec, Pinot Noir, en in het wit: Chardonnay, Sauvignon Blanc, Pinot Gris, Pinot Blanc. Dat is al een mooi reeksje. Het gaat als een lopend vuurtje door de familie: jij bent een wijnkenner! Iedereen weet je dat verzot bent op Shiraz. Sappig, zo met zwarte bessen, eucalyptus en vanille. Lekkerrrrrrrrrrrrr! Bij je volgende verjaardag krijg je een fles Côte-Rôtie cadeau van je broer. 't Staat er niet op, maar 't zit er wel in: Syrah of Shiraz (en een beetje andere dinges ook, maar dat is je broer al vergeten). 't Is allemaal hetzelfde, hoor. Een superdure fles ... zoiets zou je nooit voor jezelf kopen. 2 maanden later, op Kerstavond, gaat de kurk er af. Met veel ingehouden verwachting wordt er aan de glazen geroken en voorzichtig geproefd. Wat is dat nu? Is er iets met die fles? Dat smaakt zo anders en, oempf, wat een tannines man. 't Gaat wel bij het hertenkalf met morieljes, maar 't smaakt toch anders. Je kan er niet aan wennen. Na het diner is het gelukkig pakjestijd: goh, een fles Whisky en een fles Cognac van zoon- en dochterlief. Heerlijk! Wat een luxe. Proef je dadelijk van, met een sigaar natuurlijk. 't Is gezellig, 't wordt laat. De volgende morgen ... oeps, die fles staat daar nog. "Die zal wel slecht geworden zijn. Giet die maar weg!" "Allez, zo'n dure fles, zomaar wegkappen zeker. Zijde zot? Ik ga toch nog eens proeven, hoor." Tiens, dat is weer een andere wijn precies. Ook van die zwarte bessen, maar geen eucalyptus of vanille. Zo precies meer, allez, zo'n beetje als die champignons van gisteren en die saus zo ... en een beetje koffie. "Neenee, echt proef maar ... ." En zo ontdek je dat men niet overal dezelfde wijn van de dezelfde druiven maakt!
2. Onbekend. Onbemind? Onbevooroordeeld! Het klinkt echt allemaal zo idioot als je terugblikt op je lange wijnontdekkingsreis in een ver en grijs verleden. Daar is echter helemaal geen schande aan. Hoeveel wijnliefhebbers hebben zo niet hun eerste stappen gezet? Als ik eerlijk ben, dan moet ik erbij vertellen dat het mij niet exact zo verging als ik hierboven beschreef. Ik had het geluk een grootvader en een vader te hebben die erg geïnteresseerd waren in wijn. Hun interesses werden gestuurd door bepaalde keuzes en overtuigingen. Ideeën die soms niets met wijn te maken hadden en die dus de ene wijn deden verkiezen boven de andere - zelfs als hij van krek dezelfde druiven gemaakt was. Dat geluk had ik dus enerzijds, maar anderzijds werd ik me er ook al gauw van bewust dat er een heel verhaal, een heel kader aan ideeën over wat wijn dan wel of niet moest zijn in m'n hoofd zat en me eigenlijk belemmerde bij het vrije kiezen en onbevooroordeeld leren appreciëren van gelijk welke wijn. Zoiets geraak je nooit meer kwijt. Ik besef bijvoorbeeld heel goed dat een Italiaanse of een Duitse wijn toch nog altijd een heel klein streepje voor zal hebben bij mij. Je kan het alleen maar in toom houden door veel te lezen, heel veel te proeven (vooral met de instelling: "dat ken ik niet, dus ik proef het") en vooral nog meer te luisteren en te leren van kameraden, zeer ervaren proevers, sommeliers, ... noem maar op. Dat laatste heb ik dus ontzettend veel gedaan, en ik doe het nog steeds. Waarom? Wel, heel simpel. Eerst begin je te lezen wat het makkelijkst binnen je bereik ligt: kranten, weekendbijlagen, enz. (als student had ik voor die wijnboeken geen geld). Die worden je door veel mensen aangeraden. Bomma en nonkel Frans houden ze zelfs voor je bij. Er straalt een aura van geloofwaardigheid en authenticiteit vanaf. Wat zwart op wit gedrukt staat, geschreven door een 'wijnexpert', is waarheid, zo lijkt het wel. Alhoewel ... , ofschoon ik moet toegeven dat ze me op weg geholpen hebben, het gaat hier toch om een heel beperkte waarheid. Een waarheid gezien door een sleutelgat, het kijkgaatje van de verkoopscijfers. Veel te veel wijnartikelen in kranten en tijdschriften gaan altijd over hetzelfde. Het lijkt wel of sommige wijnjournalisten zichzelf keer op keer heruitvinden en recycleren. Volg je ze twee jaar met de gretigheid waarmee ik het deed, dan geraak je er snel op uitgekeken. Er zijn natuurlijk grote uitzonderingen, maar laat het nu net die uitzonderingen zijn die eigenlijk meer boeken en teksten voor websites schrijven dan krantenartikeltjes, en je weet genoeg. Ik zocht dus naar anders en meer. Zo was er het prille begin van de Orbis: studentenkameraden die elk wel hun eigen voorkeur hadden en mekaar probeerden te overtuigen. Waarschijnlijk is het die passie en de mogelijkheid om van mekaar te leren die de Orbis nog steeds doet bestaan, die misschien zelfs de drijfveer is achter wat de Orbis nu geworden is. Er waren en zijn nog steeds de verschillende Vlaamse Wijnbloggers die elk hun stokpaardje hebben en de wereld daartoe proberen te bekeren. Denk maar aan Vinejo en zijn Bandol, of Rick en zijn Jura-wijnen of Badische Spätburgunders - allemaal wijntypes die ik dankzij hen heb leren appreciëren en waar ik nu zelfs niet meer zonder kan. Of er zijn die enkele passionele wijnfreaks en wijnhandelaars die graag hun kennis en ontdekkingen met anderen delen: de zaakvoerders van De Wijn Kraal, Bert van De Wingerd, Oscar van Credo 1893, Gerd van Vinikus, Jacques van Troca Vins, Filippo van 'A Zamara, Bert de Coster, Dirk Rodriguez, Steve Bette, Sebastian Heiderich, ... ik vergeet er nog zoveel. Zo leerde ik wijn ontdekken. Elke wijn die mijn pad kruiste, zonder uitzondering.
3. Vuurwerk, gist en wilde wijn. En toch betekent dat niet dat je dan ook maar moet gaan denken dat je na zovele jaren alles kent. Integendeel, hoe meer je kent, hoe meer je beseffen moet dat bescheidenheid op zijn plaats is. Steeds duidelijker voel je aan dat je eigenlijk nog zo ontzettend veel te ontdekken hebt, dat er nog zo veel is, waarvan je nog niet het flauwste vermoeden hebt dat het bestaat. Zelfs geen inkling, zoals ze dat in het Engels zeggen. En dan zitten we meteen terug bij het onderwerp van dit artikeltje: zelfde druif, zelfde wijn? Pijnlijk was het, bij een goede wijnvriend op de sofa zitten, een gekarafeerde witte wijn proeven en maar niet kunnen raden wat het is. Zeker als die wijnvriend, in de andere sofa gezeten, meer en meer begint te glunderen omdat je bij elke gok steeds verder wegsukkelt van de waarheid in de fles. Ik mocht zo een paar weken geleden nog eens ervaren dat ik toch eigenlijk nog maar een groentje ben in de wijde wijnwereld. We zaten bij Menelaos in de living. Hij had een aperitiefje klaar voraleer we naar Vineeto trokken. Allez, 't is te zeggen, ik had een flesje Colle Barone van Jan Theys mee: had hij nog niet geproefd. Was jammer genoeg wat mis mee. Tja, dat kan nu eenmaal gebeuren met een biologisch of biodynamisch gemaakte wijn. Gelukkig had hij ook een aperitiefje voorzien. Iets speciaals. Jaja. Er zitten alleen maar 'rare dinges' in Menealos' wijnkast, dus daar keken wij al niet meer van op. Komt ie met een gekarafeerde witte wijn aandragen: "Deze morgen in de karaf gedaan." 't Was ondertussen al middag, ... hm. Met die wetenschap en die goudgele kleur begon ik al te denken aan een Vin Jaune of een Château Chalon of misschien wel een heel jonge Hermitage Blanc of zo. Ik hield mijn wilde associaties maar voor mezelf, want boven Menelaos' neus verscheen een ironische frons, dus wisten we dat we ons aan iets echt curieus konden verwachten. Goudgeel zoals gezegd. Wel een frisgroene tot bronsgroene reflectie, zoals je bij Franciacorta-Chardonnays wel eens aantreft, of bij Elzas-Riesling. Licht olieachtig in het glas, dus ik zat misschien wel in de goede richting ... . Hij was nog een beetje koud in het begin, dus zetten we het glas even neer en babbelden wat bij. Wat later stak ik m'n neus terug in het glas. Wow, wat een aroma: heel mineralig, limoen en exotisch fruit (papaya?), iets gistig. Strak, kristalhelder en puntig die neus. Dan maar eens proeven: heel nerveuze aanzet, vuurwerk van crackling and sizzling acidity (je kan het niet beter omschrijven in het Nederlands: in het Engels zitten de vuurwerkgeluiden erbij) en toch redelijk vet in de mond. Weer een beetje gistig met wat honing en echt verse fruitsla. Natuurlijk een natuurlijke wijn, dat kon ik zo wel raden, maar van welke druif? Natuurlijke Rheingau-Riesling of misschien zelfs uit Baden? Nee, nee, Menelaos zat er al mee te lachen. "Ok, Chenin Blanc dan, een Savennières, nog heel jong", gokte ik opnieuw. Met die tintelende zuren, dat kon toch bijna geen andere druif zijn als Riesling of Chenin Blanc. Ook niet! Chardonnay, dat was het en dan nog wel een Zuid-Afrikaanse Chardonnay gemaakt met 100% wilde gisten, dus niet van die strengetjes gemanipuleerde broodgist (vnl. Saccharomyces cerevisiae) die gewoon aan de most toegevoegd worden om de fermentatie te starten. Nee, deze wijn was vergist met de gemiddeld 8 miljoen gistcelletjes per druifje op een gezonde, niet bespoten druiventros. Gisten als Candida, Kloeckera, Pichia of Torulopsis, die allemaal een beetje anders werken dan de cultuurbroertjes van Saccharomyces die eigenlijk ook wel in het wild voorkomt op druiven. Het is een risico, zo met wilde gisten werken, zeker in Zuid-Afrika, waar sfeerverpesters als Brettanomyces niet van de lucht zijn (die geeft zo een dompige, stoffige stalgeur in veelvoud als er teveel van is). Maar, als het lukt en als je het kan, dan maak je er nog complexere wijn mee. Dat had ik wel al gemerkt: het was niet de eerste wijn gemaakt met wilde gisten die ik proefde. Je maakt er zelfs een beetje 'wilde' wijn mee, want dat was deze Chardonnay wel: hij liep niet meteen in het gareel van de Chardonnay in alle vormen en maten die ik zo goed dacht te kennen. Dit leek zelfs niet op Chardonnay, tot ik wist dat het Chardonnay was: een aha-Erlebnis, want er was genoeg van dat vettige, ronde, de typische citrustoetsen en zelfs een beetje Kaapse appel. Ik was er even niet goed van. Zelfde druif, zelfde wijn? Niet echt, nee, helemaal niet zelfs. Had Menelaos het niet gezegd, ik had hem nooit juist kunnen thuisbrengen. Ik voelde me weer een luis in de pels van de wijde wijnwereld en kon, voor de rest van het aperitief, net zoals Hamlet naar zijn schedel zat te staren, maar wat voor me uit zitten mijmeren terwijl ik diep in dat glas wild vergist sap bleef turen.
Dit artikel kwam tot stand in het kader van de zevende editie van de 'Vlaamse Wijnblogdagen'. Meer van dezelfde druiven, maar toch andere wijnen vind je op de volgende deelnemende wijnblogs:
Een mini-Judgement of Paris, maar dan met een schalkse twist door pvo op Wijnblog.be
Wijngerd - Wijnmensover een supercombo maal twee: Alain Paret x Viognier - Disasterofwineover peperbolletjes en sigarenvaten op Ikwilwijn.bemet een extraatje over la cause de différance
Wijnkennis bekijkt les Chardonnays door een oenologische bril
Nog even wachten op Rick van Château sans Pretention
De WvdW'tjes volgen elkaar op in ijltempo. Wat proefnota's ertussen, ja, maar daar was het ook ver mee gezegd. Meer dan een week met een halve longontsteking, snot als Cross & Blackwell Picalilly en een luchtpijp die rammelt als een verkalkt koffieapparaat is nu niet echt bevordelijk voor het wijnproeven: ik kon nog net toetsen van cacao en een duidelijke hint van sinaasappelschil thuisbrengen in die gruwelijk zoete longbalsem, maar voor de rest rook ik nog zelfs de kattenbak niet als ik er met m'n neus ging inhangen. Ik had nochthans alle voorzorgsmaatregelen genomen toen ik het slijmvormig onheil voelde naderen. Vitaminen van hier, ginseng van daar, pompelmoesje a day, keeps the doctor away, warme choco met rhum, cachaca, nee, zelfs een Bandol wilde niet helpen. Jammer genoeg de enige, maar toch wel echt de beste wijn van de week.
1. Wijnbloggerswijn: scheten, nijlpaarden en afgeronde glooiingen. Bloggerswijn is het zo ongeveer geworden, die Bandol, en wel zeker die van Domaine La Suffrène. Een Bandolletje dat je voor een belachelijk lage prijs uit het rek kan grissen in Carrefour/GB jaar in jaar uit, rosé en rood. Echt waar, bloggerswijn, die Bandol en daar zit de oudste Belg onder de bloggers zeker voor niets tussen, toch ? Laten we het maar meteen toegeven: een beetje wel. Ik weet nog goed hoe ik als student mijn eerste flesje Bandol van het schap plukte. Ik vond het zo'n rare naam: 'Bandol', zo gebald en afgemeten, maar hij stond er wel die naam. Aangetrokken door die gekke naam en door een hoedje met twee Hachette-sterretjes, kocht ik mijn eerste flesjes Bandol in de Match. "Godsamme, in de Match nog wel", hoor ik u denken. Ja, in de Match en wel puur uit gemakzucht. De Match lag maar op een goede kilometer van mijn kot, dus daar zat ik op een paar minuten te voet van heen en terug. Moest ik niet op de fiets klefferen. Een gehavend stalen ros, dat meer weg had van een vierkant rijdende sapcentrifuge dan van een fiets. Ik reed er eens mee bergaf een bochtje in en voor ik het nog maar goed en wel door had, was mijn zak tomaten al veranderd in instant gazpacho andaluz en hing er een stuk haring te flappen tegen mijn voorste spatbord. Jolig, maar niet echt om over te doen met een paar flesjes wijn in de shoppingtas. De Match was ook niet echt de beste keuze voor wijn, bleek achteraf. Maar ja, zelfs dat kon ik toen nog niet weten. En, het mag gezegd: ere wie ere toekomt, ik heb er toch maar mijn eerste Bandol uit het rek gehaald. Domaine de la Vivonne, een obscure cuvée met de naam Les Puechs uit 2002 waarvan ik nergens wat terugvond op het web. Want ja, dat deed ik wel al. Ik surfte me dikwijls onnozel om wat informatie te vinden over deze of gene wijn. En ja, dan kom je als vanzelf op sommige websites terecht. Typ maar eens 'bandol + wijn + lekker' in je Google-zoekbalkje en er is onmiddellijk één site die bij de eerste drie hits opduikt. Inderdaad: Vinejo's Wijnliefhebbers. Goed, terug naar die 'Les Puechs' van Domaine de la Vivonne. Ik kon er zoals gezegd niets over vinden, of het moest mijn eigen record in Cellartracker zijn. Ik had er zelfs geen flauw idee van wat die 'Puechs' waren. Ridders? Oerbewoners? Struiken, bomen, beesten? Misschien zelfs scheten? Daar rook de wijn in het begin zelfs wat naar, maar ik kon me nauwelijks voorstellen dat geen enkele wijnboer die ze nog allemaal op een rij had, zijn geesteskinderen als intestinale gassen door het leven wilde laten gaan. Dat moest ik dan maar eens even gaan opzoeken. Na een dag of wat grasduinen door de rekken van de taalkundebibliotheek had ik het uiteindelijk gevonden: 'Les Puechs' was Occitaans - een op Frans gelijkende Romaanse taal die men in het Zuiden, vooral in de Provence sprak en nog steeds (een beetje) spreekt - voor 'hellingen, hoogten, afgeronde glooiingen'. Bij die eerste twee kon ik me nog net wat voorstellen, alhoewel dat laatste, zeker in meervoud, de verbeelding dan weer op hol deed slaan. Je moest dat woordje 'Puechs' zelfs met een beetje sappigheid over de tong laten rollen, zoals je op het vruchtvlees van een rijpe kers zuigt. Je spreekt het uit door je vochtige lippen met overtuiging naar voren uit te stulpen, je tong aan beide zijden om te krullen naar je verhemelte en een licht aangeblazen uu-klank als een sensueel zuchtje te laten ontsnappen. Jaja, interessante wijn, die Bandol. Ik had nog nooit zoveel opgezocht over één fles (maar dat was toen ...). Toen ik hem pas in het glas had, die eerste Bandol, dacht ik: "Ja lap, ik heb weer eens teveel geld uitgegeven aan viezige plonk". De wijn stonk. Naar de beesten rook hij, en dan nog niet naar schattige konijntjes of zo. Nee, eerder naar varkens die in de modder hadden liggen rollen of beter zelfs: het nijlpaardenhok in de zoo van Antwerpen. Niet te geloven gewoon: nijlpaarden dat is stalgeur in het kwadraat. Eigenlijk was het wel begrijpelijk dat ik vond dat de wijn stonk: het was de eerste keer dat ik een stalluchtje - animaal in het jargon - of misschien zelfs iets reductiefs rook op een wijn. Als je me nu zo'n wijn voorzet, begin ik al te glunderen nog maar voor ik er een slok van geproefd heb. Zelfs een snuifje Brett mag er van mij best wel op. Teleurgesteld liet ik het eerste glas even staan. Ik moest die sneden pepergebraad nog aanbraden en snel, want mijn ovenaardappelen moesten het oventje uit. 10 minuten later kwam er vanuit mijn kot - koken deden we à l'improviste op de gang - "mmm, lekker wijntje". Cabernette had al aan mijn glas gezeten. Ik: "Hoezo? Dat stinkend sapje?" "Dat stinkt helemaal niet. Ik ruik ons ma hare bramenconfituur en zo precies laurierblaadjes." Ik dacht dat ze me weer voor de gek aan het houden was. "Geef dat glas eens hier!" Tiens, dat was precies een andere wijn dan die van 10 minuten geleden. "Zwart fruit, laurier en hout", schreef ik op, want ik wist dat je zoiets moest opschrijven, anders was je geen 'echte'. Interessante wijn, die Bandol. Beetje raar, beetje beestig, maar daar ging ik nog eens wat van kopen.
2. Zeebonken en bosbessentaart. Wat later begreep ik dat Domaine de la Vivonne echt wel niet de beste Bandol produceert die er op de markt is en dat dat zeker zo gold voor hun supermarktcuvée. Want, hoe erg het ook moge zijn, er zijn niet veel Bandol-producenten die hun met bloed, zweet en tranen verwekte nakomelingen zien belanden in de supermarktrekken. De reden? Sommigen onder hen hebben het echt niet nodig (bv. Pibarnon, Tempier, Gros Noré, et al.): ze zijn al uitverkocht voor de wijn goed en wel op fles getrokken is. Bandols zijn en blijven blijkbaar insiders-wijnen en die insiders doen er dan ook alles voor om elk jaar aan hun x aantal flessen te geraken. Niet onterecht in veel gevallen, zo weet ik nu. Maar die anderen dan? Want, toegegeven, Bandol is nu niet zo groot, maar toch wel groter dan de paar hectaren topwijn. Laten we het gewoon misplaatste trots noemen: "mijn wijn hoort niet in een supermarkt, blablabla, patati-patata". Ok, moest ik een wijnboer zijn, ik zou het ook gruwelijk vinden moesten flessen die door mijn eigen handen gegaan zijn staan platstoven en wegrotten - rechtop nog wel, want echte helden sterven staande - hoog op een rek waar het veel te warm is en waar er veel teveel UV-licht is. Gruwelijk. En toch, ik zou liever wat flessen aan een supermarkt verpatsen dan dat ik er zelf mee blijf zitten, nougabollen bekendheid verwerf en, erger nog, geen rooie daalder in m'n domein kon investeren, want op die manier bouw je ook geen ene meter aan je reputatie. Dat moet ook zowat de redeneerwijze van Cédric Gravier geweest zijn toen hij één van de mooiste domeinen uit Bandol erfde van zijn grootvader. Die verkocht zijn druiven jaar na jaar aan een coöperatieve. Een handelswijze die Cédric nog even verderzette, alhoewel hij van in het begin plannen had om de solotour op te gaan. Vanaf 1996 begon hij stilaan zelf wijn te maken in een eigen, volledig nieuwe kelder en hij verkocht hem deels meteen via Carrefour. 1996 was dus de eerste jaargang gebotteld onder de naam Domaine La Suffrène, zo genoemd naar de vroegere bezitter van een stuk van zijn grond: een scheepsmaat van de Bailli de Suffren, niemand minder dan Pierre André de Suffren de Saint-Tropez. Een driedubbel gescharnierde naam die gelijkstaat aan één van de meest legandarische admiraals van de Franse zeemacht Hij durfde het, als één van de eerste en weinige Franse admiraals, aan de Britse hegemonie op zee uit te dagen en met succes te belagen. De Royal Navy beeft nog steeds als zijn naam wordt vernoemd. De Bailli de Suffren was een koppige, trotse en onvervaarde vechtjas die niets of niemand ontzag en nooit een uitdaging uit de weg ging. Dat past wel een beetje bij het karakter van Bandol ... . Ondertussen ken ik hem al een tijdje: een stuurse, introverte, maar imposante en afgetrainde capitan Alatriste. Een hese vechtjas, die pas na een paar jaren kelder het stof van de kleren schudt, de laarzen uittrapt en de fluwelige gloed van het haardvuur opzoekt. Ik proefde enkele weken geleden nog een 1998 die in alle finesse en bescheidenheid zich liet uitkleden tot op zijn puurste, zachtste fruitglooiingen, met wat mokka, herfstbladeren, ijzerzandsteen en zoete koekkruiden. Niet vergelijkbaar met wat anders; oude Noordelijke Rhône of Gevrey-Chambertin misschien, maar toch, Mourvèdre, de toch wel wat mysterieuze druif aan de basis van Bandol, is gewoon zichzelf. Ik liep er twee weken later nog over te mijmeren, toen ik toevallig nog wat flessen 1999 en 2000 in een vergeten hoekje in de plaatselijke Carrefour aantrof. Te mooi om waar te zijn, was mijn eerste gedacht. En dat was het waarschijnlijk ook: wijnen die zo lang rechtop gestaan hebben in de warmte zijn meestal dood en vergaan. Ik nam er toch twee flesjes van mee, één van elk. Je wist maar nooit. Wat me al opviel was dat er geen stof op de hals en schouders hing en ik kon me niet echt voorstellen dat de plaatselijke winkelbedienden flessen afstoften in de verloren uurtjes van hun shift. Dus, misschien was er hoop. Vorige week trok ik een 1999 open: goed gekleurde, soepele kurk, die een klein beetje doorgetrokken was zoals het elke wat oudere kurk betaamt. Hadden deze flessen nog lang in een koel magazijn liggen slapen? Blijkbaar wel, want het eerste wat ik rook bij het ingieten van een proefglas was ... een warme stal. Daarna kwamen er kruiden opzetten, laurier ja, en salie, dan bosbesjes, van die kleine, die vroeger altijd op de Kempische bosbessentaarten lagen waar ik zo verlekkerd op was als kind. In de mond verbazingwekkend veel fraîcheur, koel zelfs en glad met zoetsappig fruit, cacao en een beetje koffie, vrouwelijke rondeur, tot hij plots zijn tanden bloot gromt aan het eind: stugge, maar goed gedekte, krachtige tannines, nog steeds ... . Paradoxale wijn, Bandol.
Nog eens tijd om een WvdW'tje te doen ... . Ik was met de feestdagen het rubriekje volledig uit het oog verloren, tot afgelopen week wel twee heel opmerkelijke wijnen ons glas kruisten en Cabernette zich afvroeg welke van beide wijnen nu de beste van de afgelopen week mocht zijn. Twee opmerkelijke wijnen, twee Italianen - "Hoe kan het ook anders", hoor ik u denken - van twee bijna vergeten druivenrassen. Je weet wel, van die rassen waarvan je je kan afvragen of ze vergeten zijn omwille van de povere reputatie die ze te lang droegen of omwille die onuitsprekelijke naam die zeker in overzeese gebieden een struikelblok vormt ... . Eén van de twee was een 100% Marzemino. Ja, Marzemino. Nee?
1. Mozartwijn. Marzemino, het klinkt voor veel Mozartliefhebers vast bekender in de oren dan voor de meeste wijnliefhebbers. "Versa il vino! Eccellente Marzimino!", roept Don Giovanni Leporello toe tijdens een zoveelste drinkgelag. Niet veel later doemt een bulderende Commendatore uit het niets op en sleurt Don Giovanni naar de plek waar hij eeuwig zal boeten voor zijn decandente en immorele gedrag. We kennen ze allemaal deze scène: een stenen kolos, die onvermurwbaar Don Giovanni het zieleheil ontzegt en hem onder veel gensters, gespetter en geroffel uit de orkestbak van het podium afsleurt naar de donkere catacomben van de hel. Maar, waarom Marzemino, of Marzimino, zoals hij bij Mozart heet? Het wringt zelfs een beetje in de prosodie. Die is meestal heel netjes bij Mozart, dus daar moeten we het al niet gaan zoeken. Excellent moet hij wel geweest zijn als we Don Giovanni mogen geloven. Was dat prestige dan de reden waarom Don Giovanni zich er lazarus aan zoop? Nicolaas Klei geeft er ook geen sluitend antwoord op in zijn weer eens schitterend geschreven boekje Achter het etiket: "Nu zijn Don Giovanni's aardse dwalingen en hellevaart weliswaar niet het gevolg van marzimino," zegt hij, "maar je zou je kunnen voorrstellen dat de wijn in een kwade reuk staat", en bijgevolg wel past bij dat verdorven karakter van Don G. Klei besluit dat dat gelukkig niet het geval is, daar Marzemino's - zo redeneert Klei in een cirkeltje - volstrekt onbekend zijn en helemaal geen wilde hellevaart oproepen als je ze drinkt. Bij ome Marzemino moeten we het niet gaan zoeken, volgens Klei. Het had wel kunnen kloppen ... . Bijna niemand drinkt nu nog Marzemino en de druif op zich vinifiëren gebeurt ook niet bepaald met de regelmaat waarmee Bert Anciaux stommiteiten debiteert. Meestal mag Marzemino een bescheiden rolletje spelen in wijnen van rond het Gardameer, wijnen die vooral uit Sangiovese, Barbera of internationale druivenrassen bestaan. Tot voor kort speelde Marzemino zelfs nog een bijrolletje in de Chianti-soap: samen met Mammolo en Canaiolo Nero mocht hij Chianti wat kleuren en daar was het dan ook meteen mee gezegd. Over de smaak van Marzemino sneed men de laatste eeuw niet snel hoog op. 't Was dan ook nog eens een ambetante druif die niet veel opbracht en om de haverklap beschimmelde. Dus: exit Marzemino. Exit? Toch niet helemaal. Ondertussen zijn er weer een paar Italiaanse wijnboeren die zo hun eigen ideeën hebben over Marzemino. Dat gebeurt wel eens meer in Italië: zo van die boeren die het beter gaan weten. Maar deze keer is het geen ordinair spelletje dwarszitten of betweten. De geschiedenis geeft hen gelijk: Marzemino was in de tijd van Mozart een druif die zeer hoog aangeschreven stond. Vooral omwille van de zoete, sterke rode wijn die er volgens de passito-methode mee gemaakt werd. Een beetje als Amarone, Recioto della Valpolicella and the likes. Zoet, vet in de mond, rijk chocoladeachtig, hoog in alcoholpercentage ... dat klinkt een beetje als een hedonistenwijn. Niet verwonderlijk dus dat Mozart net deze rode wijn uit Don Giovanni's dronkenlappenbakkes laat galmen.
Een paar versies (niet de Gardiner-versie die Klei aanhaalt: populistische, moraliserende enscenering; orkestspel stijlloos en uit balans, houterige tempi):
Versie van Don Giovanni niet formidabel geënsceneerd door Zeffirelli, maar met schitterende stemmen: Samuel Ramey (Don Giovanni), Ferruccio Furlanetto (Leporello) en de onovertroffen Kurt Moll (Commendatore). MET o.l.v. James Levine, 1990.
Knappe moderne enscenering van Peter Sellars. Eugene Perry (Don Giovanni), Herbert Perry (Leporello), James Patterson (Commendatore). Wiener Symphoniker o.l.v. Craig Smith, 1990.
2. Proletariërswijn. Ik had er ook eentje in de kelder liggen. Gekregen van de beide meesters in aberrante wijnen die wijnwinkel Pasqualinno uitbaten. Moest ik eens proberen: Eugenio Rosi, Poiema Trentino Marzemino DOC 2002. 2002 was wel een waar pokkenjaar in veel stukken van Italië, maar de Rosi had er weer eens wat geweldigs mee gedaan. Rosi? Eugenio Rosi? Ik kon er mijn halve kelder wel op verwedden dat ik er ergens iets over gelezen had of dat iemand me er wat van verteld had. Nee, het was niet Rossi van 'de Rossi', de dikke brommende Italiaan die in de zomermaanden altijd met zijn crèmekarretje aan de uitgang van de schoolpoort stond. Lap ... , terwijl we naar huis reden met de fles naast m'n voeten in de auto zat ik me weer eens het hoofd te breken over de één of nobele bijna-onbekende. Dat heb ik nu altijd: ik kan echt geen namen onthouden, een beetje lastig in dit vak. Erger nog ... ik had het gevoel dat het zo ergens vooraan in mijn hersenkronkels hing, maar er net niet uit wilde. Frustrerend. Inklings noemen ze dat in het Engels. Alzheimer light, wat mij betreft. Grrrrrr, om gek van te worden. De avond dat ik de fles uit de kelder haalde viel het me te binnen op de keldertrap: ik had het hier gelezen, op de blog van foodfan. Natuurlijk, als er één is die als geen ander prettig gestoorde wijnbouwers weet op te snorren in Italië, dan is het wel haar aanhangsel: foodman. Zoals foodfan het schrijft: een half getikte wijnbouwer die zonder toegevingen zijn eigen ding wil doen en daar hoort een 100% Marzemino natuurlijk bij. Liefst nog wel biologisch ook. Het kon weer niet radicaal genoeg voor Eugenio. Hij wordt ook wel de 'proletarische wijngod van Trente' genoemd, want raar maar waar: Eugenio bezit nog geen halve wijnstok en hij heeft ook geen cantina. Nee, hij huurt alles. Hij maakt als het ware wijn uit het niets. Alleen een piepklein keldertje, waarin hij zijn gasten ontvangt temidden de oude eiken fusten en barriques van kerselaar, mag hij het zijne noemen. Een binnenstebuiten gedraaide Marxist, zo lijkt het wel. Ja, barriques van kerselaar voor Genio's Marzemino, want het is onder andere deze houtsoort die de Poiema zo knap maakt. Marzemino is immers een druif die dan wel wat kleur heeft, maar dikwijls nukkig gesloten blijft. De wijnen geven niets prijs: niets in de neus, niets in de mond. Alleen de textuur - vol, zacht - en de kleur vallen op. Zo een beetje als Tannat: zwart, ruw, bonkig, maar op de neus noppes, nougabollen, niks. Toch als hij nog jong is. In Madiran werd het probleem opgelost door de wijn aan het beademingsapparaat te hangen. Belletjes doorblazen - microbullage - en voilà, de wijn werd meteen heel wat toegankelijker. Een heel brutaal proces waarmee ook meteen de helft van het karakter van Tannat foetsie borrelt, maar ja, wie maalt daar nu om? Als de commerce maar draait ... . Laat Eugenio nu net aan dit laatste een gloeiende hekel hebben. Hij verkoopt nog liever niets in plaats van een fruitige fakewijn die wel door jan-en-alleman gesmaakt wordt. Wijn maken is immers kunst voor Eugenio: je werkt aan een wijn als aan een kunstwerk. Met inspiratie, met vallen en opstaan, maar ook met veel respect voor het materiaal en het medium. Geen brutale ingrepen dus. Laat kersenhout nu iets grotere poriën bevatten als eik en je begrijpt meteen waarom Genio - na een paar jaar experimenteren - uiteindelijk net voor deze houtsoort koos. 12 maanden gedeeltelijk op eikenhout zorgen ervoor dat Marzemino zich, onder invloed van de binnensijpelende zuurstof, heel zachtjes aan openplooit en naast textuur en kleur, zelfs als hij jong is, ook al wat fruit en bloemetjes vrijgeeft in het glas. Dat is echter niet het enige: Genio kent zijn pappenheimers en weet dus best dat Marzemino vroeger in passitostijl werd gemaakt om die lastige geslotenheid te vermijden. Dan krijg je evenwel Mozartwijn en die ligt nu niet meteen volop in de smaak. Trouwens, probeer maar eens op te boksen tegen het imago van zwaargewichten Amarone en Recioto della Valpolicella. Onbegonnen werk, ook al omdat Marzemino zich niet echt leent om er van die moderne concentratiemonsters van te maken die je maar al teveel tegenkomt in dit soort wijnen. Genio's Marzemino is dus een droge wijn geworden, alhoewel er toch wat druiven ingaan die wel gepasserileerd zijn. Genio maakt pas wijn van die druiven als ze goed en wel ingedroogd zijn, een proces waarbij aroma's en suikers geconcentreerd worden. De resulterende passitowijn wordt later geblend met de droge wijn. Het uiteindelijke kunstwerk mag er meer dan best zijn: al wat verlegen geurend naar blauwe pruimpjes, zwarte bessen en viooltjes, met een satijnzachte aanzet en toch diepte en breedte in de mond. Complex en heel harmonieus. Heerlijk, maar helaas veel te snel opengetrokken.
Een prachtig artikel - Italianen weten nog wat 'wijnschrijven' is - over Eugenio en zijn wijnen vind je hier. De proefnota van deze Poiema vind je hier.
Zondagmiddag, koelblauwe hemel, lage winterzon, vrieskou, stijve bries. Heerlijk wandelweer. Cabernette en Amaronese laten de benenwagen evenwel voor wat hij is en bollen met de wielenwagen weg van Ieper. Wat dizzy nog van de wervelende trouwpartij gisterennacht, maar al nieuwsgierig wat de rest van de dag ons zal brengen: lunch en proeverijtje met Menelaos in diens eigenste hometown Brugge.
1. Wijnbar + jackpot = wijnrestaurant. Voor we afzakten naar de gezamenlijke degustatie van Troca Vins Naturels en Langbeen Duitse Topwijn in restaurant Aneth buiten de grachten, brachten we nog een bezoek aan Wijnrestaurant Vineeto. Gelegen in het hart van de Brugse binnenstad, profileert Vineeto zich meer als restaurant dan als wijnbar. Orlane Gogne, die samen met haar man, kok en sommelier Alex Auwerkerken, het restaurant uitbaat, wist ons te vertellen dat ze oorspronkelijk een evenredige verdeling in gedachten hadden, maar dat de verkoop per glas niet echt aansloeg. Veel geopende flessen raakten niet leeg, hetgeen nu niet meteen interessant was voor de kassa. Daardoor zijn er slechts een beperkt aantal wijn per glas beschikbaar (een zestal?) en natuurlijk niet meteen de grootste ontdekkingen. Jammer, vonden we, maar ook heel begrijpelijk, want met doorgaans wat karaktervoller wijnen van minder bekende druivenrassen of appellaties win je nu niet meteen de jackpot. Na de ontvangst werden we vriendelijk een tafel toegewezen in een interieur dat classicistische elementen en modern design op een aangename manier verenigt. Zowel de muren als de onderleggers op tafel zijn versierd met uitvergrote etiketten van grote wijnen, terwijl her en der door bezoekers gesigneerde flessen uitgestald staan. Het draait hier om de wijn, voor wie het nog niet door had. Wijnrestaurant, zo profileert Vineeto zich daarenboven zelfbewust. Daar komt dus ook eten bij aan te pas. Geen tapas, maar wel een ‘betere’ restaurantkaart: seizoensgebonden gerechten en een menuutje of twee drie. Een vluchtige kijk op de kaart doet ons al snel voor het menu “The Vineeto Way” kiezen. Een menu bestaande uit drie gangen met keuze tussen rundscarpaccio of een soepje van bospaddenstoelen als voorgerecht, slibtongetjes of een stoofpotje van lam als hoofdgerecht en als afsluiter crème brûlée of hoevekaasjes. De dame in het gezelschap kiest voor de soep en de vis, beide heren storten zich conform het decorum op het vlees.
2. Italiaanse mama's en kanonnevlees. De wijnen per glas lieten we maar aan onze neus voorbijgaan. Geen onaardige selectie hoor, maar allemaal wat anoniem correct. Het zijn zekerheden op de kaart, maar als wijnrestaurant mag je toch proberen een halfje van die zekerheden in te ruilen voor een handvol avontuur en uitdaging. Heel wat wijnliefhebbers zakken net daarvoor naar een wijnbar af. We openden de wijnkaart dan maar. Een eerste geruststelling: geen hele rist Grand Cru Classés die niemand kan betalen, tenzij met de kredietkaart van de zaak of als CEO van de één of andere mensenetende multinational. Net als in de wijnen-per-glaskaart ook heel wat zekerheden, maar toch een evenredig aantal suggesties die de koordans van de internationale markt ontsprongen. Ook leuk: heel wat oudere jaargangen op de kaart. Nog zoiets dat je als wijnliefhebber wel kan appreciëren. Kon je ze nu nog eens per glas proeven ... want per fles zit je toch al gemakkelijk boven de € 45 - € 50, een hele lap geld, die niet iedereen wil besteden aan een fles waarvan hij niet zeker weet wat ze aan tafel brengt. Hoofdmoot blijft natuurlijk Frankrijk, maar daarbuiten vinden we heel wat wijnen van zowat overal terug. Veel suggesties kregen we niet. Orlane Gogne stond er blijkbaar alleen voor in de gelagzaal, dus een praatje kon er niet bij. Spijtig toch. We gingen dan maar met z’n drieën op strooptocht en spotten een La Donna Canone van Bonny Doon – Il Circo in een speciaal hoekje voor de freaks: echt wijnen voor wie eens wat anders wil. Vinden wij wel cool, dus die Dona moest er maar meteen aan geloven. Zo knotsgek als Randall Graham is, zo wild ziet het etiket van deze fles eruit. Een fauvistisch tafereel van een tot de verbeelding sprekende circusact: het levende kanonnenvlees. Leven deed deze Ruchè – een vergeten rode druif uit Piemonte – zonder twijfel en een kanon was het zeker ook, een beetje gemakkelijk ontvlambaar zelfs, met zijn 15% alcohol. Rozenblaadjes en guimauve op de neus, met een beetje kruidnagel en veenbes. Een rode piraat in de mond, hevig, vurig zelfs, misschien zelfs wat te, want het kruit van deze Ruchè di Castagnole Monferrato DOC is iets te snel verschoten. De afdronk is wat kort en warm. Een Donna die al eerder richting Italiaanse mama uitgaat: koleriek, maar toch wel een tikkeltje gemis aan fraîcheur. Wij lieten na een glas dan ook meteen de koelemmer aanrukken, die zonder enig pardon gebracht werd. Het kanonnenvlees liet zich met deze kleine ingreep al snel van zijn liefste kant zien. Nu ja, waarom moesten wij ook weer zoiets aberrant van de kaart kiezen? Simpel: Cabernette koos voor soep van boschampignons en slibtongetjes, wij gingen voor de carpaccio en het lamsstoofpotje. Naast die eigenaardige combinatie kon wel zo ongeveer niets staan, dus gooiden we het op een akkoordje: we kiezen iets aparts. Eén fles was wel genoeg, want na afloop was het nog een eindje fietsen naar de volgende proeverij. Een Ruchè dus. Ik kende ze eerder als pezige, frisse, sappige drinkwijnen met vinnige zuren – zo een beetje à la Gamay d’Anjou of Touraine Rouge –, niet al te complexe wijnen die je met veel plezier vlot wegdrinkt. Randall Graham kennende zou zijn Ruchè zelfs wel tegen die lamsstoverij kunnen opboksen. En ja hoor ... .
3. Een zespotig voedingssuppelement. Na een aardig poosje wachten vielen we met stevige honger op het voorgerecht aan: de heren op hun carpaccio (Amaronese trok al dadelijk zijn wenkbrauwen op bij het aanschouwen van de wel heel felle kleur van het vlees) en Cabernette op haar soepje van bospaddestoelen. De carpaccio bleek passabel, maar een Italiaanse carpaccio is toch wel wat anders: het juiste vlees, de kwaliteit van het vlees, ... , dat vind je hier niet dikwijls terug. Aan de vrouwelijke kant van de tafel bleef het eerst verheerlijkt stil (véél paddestoelen, verfijnde bouillon), tot er opeens een mier (!) uit de soep werd gevist en er ook nog wat takjes en gruis op de bodem van de soepkom bleven liggen. De paddestoelen waren ongetwijfeld zeer vers, maar het grondig afborstelen was er duidelijk bij ingeschoten. Nu hebben wij niets tegen bio-keuken, wel integendeel, maar als we extra proteïnen willen, dan toch liever niet van het zespotige soort! Bij het hoofdgerecht speelde zich een vergelijkbaar scenario af. Het lamsstoofpotje bleek overheerlijk en legde de heren gedurende minstens een kwartier het zwijgen op. Aan de andere kant van de tafel waren de slibtongetjes bijzonder in hun element, al zwemmend in de boter. Niet direct naar de zin van Cabernette, die de voor de rest wel correct gebakken tongetjes kon pruimen, maar met heimwee terugdacht aan de meest perfecte sole meunière ooit die ze het jaar daarvoor op de markt in Doornik proefde bij een memorabel tête-à-tête met Amaronese in Le Carillon. Als afsluiter kozen Menelaos en Amaronese voor een streepje kaas, Cabernette hield het op haar geliefd kwakje crème brûlée (eindelijk een schot in de roos, haar hoogtepunt van de maaltijd). Tja, en daar gingen we weer uit de bocht, want, met het gezapige tempo waarmee de gerechten aan tafel kwamen, was het ondertussen al half vier, en dus waren twee soorten kaas al op. Er werd ons dan geen extraatje aangerekend voor het kaasdessert. Goed, wel een schamele troost die we beide dan maar verdronken in een glaasje Overhex, Soulo, Red Muscadel 2006, een typisch Zuid-Afrikaanse zoete versterkte wijn. Weer zo’n een aberrant geval zal je zeggen en ja, dat klopt nog ook. Ik wilde het er nog eens op wagen, want ik ben er nog geen enkele echt goede tegengekomen. Weer mis, want ook deze Muscadel deed het niet: wat te plat zoet, zeker naar de afdronk toe miste hij wat lift. Eigenlijk ook wat monotoon, iets dat je nogal snel kan hebben met Muscadel. Typische muskaattonen met een beetje pruimachtig fruit en dan is het muziekje af. Zoetig en plomp, net geen slechte Ruby Port zoals je in cafés vaak te drinken krijgt.
4. Anticlimax. We eindigden met een anticlimax en dan loop je het risico wat zwaarder te oordelen dan nodig is. Dat gaan we dus even vermijden. Van de wijnkaart kunnen we niet al teveel miszeggen: de prijzen zijn in orde, de keuze is degelijk, ze is met kennis van zaken samengesteld. Er hadden anderzijds vast wel wat meer of diverser wijnen per glas bij gekund. De sfeer is best. Bijna alles ademt hier wijn. Wij voelden ons meteen thuis. Ook niet slecht. Een praatje over de wijn had wel leuk geweest. Wij koutten achteraf wel een beetje bij, maar dat is toch niet helemaal hetzelfde. En ondanks de tegenvallende lunch - er kan altijd wel eens wat fout lopen - was er toch wel dat echt wel lekkere lamsstoofpotje: een eenvoudig, kruidig en vooral eerlijk gerecht. Misschien ligt hier wel de fort van de chef-kok en sommelier Alex Auwerkerken?